De hele dag door zeur ik aan mijn moeder’s oren; ik wil met mijn vriendinnetje spelen. Onderhand heb ik haar al op mijn eigen mobieltje twintigduizend keer gebeld. Om nu echt tot een afspraak te komen, moet mijn moeder die andere moeder gaan bellen. U raadt het al; mijn moeder heeft hier een aardig machtsmiddel in handen. Vandaar dat ik vanmiddag zonder mokken mijn boterham heb opgegeten. Dit even terzijde.
Veel blabla aan de telefoon maar uiteindelijk worden spijkers met koppen geslagen. Vanmiddag gaat mijn vriendinnetje samen met mij, onder begeleiding van mijn moeder, naar de kinderboerderij. Wij op de loopfiets, Guus in zijn karretje en mijn moeder loopt erachter. Samen hebben we dikke pret.
Al snel nadert het uur van het avondeten. We brengen mijn vriendinnetje naar huis. Onderweg stopt ze bij een tuin waar enorme gele en paarse tulpen staan. Vol bewondering kijkt ze ernaar en zegt tegen mijn moeder dat ze dat wel heel mooie bloemen vindt. Jammer genoeg zijn ze van andere mensen.
Op de weg naar huis, cross ik een eindje vooruit. Ik stop bij de tuin waar de bloemen in staan. Volgens mij vindt ze de gele het mooiste. Ik draai heel gericht aan het steeltje en opeens houd ik de bloem in mijn hand. Mijn moeder krijgt haast een hartverzakking; de eigenaren in kwestie zijn zichtbaar thuis. Ik heb geen last van gene en stop de bloem in mijn fietstasje. De bloem valt echter op de grond. Ik wil hem graag pakken en duw mijn fietsje achteruit. Pardoes rijd ik eroverheen. Zichtbaar teleurgesteld raap ik hem op. Nu is hij niet meer mooi genoeg. In ieder geval niet meer voor mijn meissie.