Het is tropisch warm vandaag. Gelukkig hoef ik maar een halve dag naar school. Daarna gaan we naar het strand. Mijn moeder wacht met mijn zusje en broertjes in de auto. Daarnaast staat de moeder van vriendje D. met haar grote Volvo geparkeerd. Er is in het totaal plek voor 10 kinderen. Dat is net genoeg voor onze twee gezinnen en drie verstekelingen. D. en ik zijn zo vrij geweest hen uit te nodigen. Toen ze hoorden over ons uitstapje, wilden ze namelijk graag mee.
Het is een dolle boel in de auto. We zingen liedjes en schreeuwen vieze woorden. Het lijkt wel een schoolreisje. Mijn moeder hobbelt achter de moeder van D. aan richting het strandje van Spakenburg. Voor ons gevoel duurt het allemaal veel te lang. Vriendje J. vraagt mijn moeder wel tien keer wanneer we aankomen. Zijn broertje, T., zit op de middelste bank en trapt vol ongeduld tegen haar stoel aan. Mijn moeder doet een schietgebedje dat de rit snel ten einde zal zijn.
Op de plaats van bestemming laadt mijn moeder de bolderkar vol met dekens, etenswaren, kleding en een parasol. We kunnen bijna niet wachten totdat we het water in mogen. De moeder van D. doet een poging ons voor die tijd nog in te smeren. Mijn moeder zet ondertussen de parasol op en legt mijn zusje eronder. Dan helpt ze acht ongeduldige mannen de zwembroek aan te trekken. Het is een gekkenhuis. Daarna zijn we verdwenen en hebben onze moeders even rust.
De moeder van D. roept ons even later bijelkaar en legt de spelregels uit. We mogen tot de oranje ballen het water in. De pier en onze verzamelplek markeren het gebied in de breedte. Het is duidelijk. We spelen verder en hebben veel plezier met elkaar. Onze moeders zitten intussen weer op het grote kleed. Als havikken waken ze over ons. Continue tellen ze hoofden; twee peuters; check. Twee zwemvestjes (J. en T.); check. D., P. en broertjes T. en G.: check.
De grootste bron van zorg is Guus, zo vertrouwt mijn moeder de moeder van D. toe. Mijn broertje is verdwenen in een seconde en loopt zomaar met iedereen mee. “Pim is niet zo’n durfal”, zegt ze zelfverzekerd,” hij hangt nogal aan mijn rok.” Ze heeft haar zin amper afgemaakt als ze me doodleuk op het einde van de pier ziet rondlopen. Witheet van woede roept ze me terug. Deze ervaring is toch wel een erg grijs wolkje aan een verder zo strakblauwe hemel.