Gezandstraald

Elke dag tikt de regen voor korte of langere tijd tegen mijn slaapkamerraam. Het zou nu toch droog en zonnig moeten zijn. Het is immers volop zomer. De weersvoorspelling stemt ook al niet tot optimisme. Behalve voor dit weekend. Zondag moet dé dag zonder regen worden. Mijn moeder is meteen enthousiast en zoekt onze strandspullen op. Pakjes sap en zakjes snoep stopt ze in een grote tas. Ook de zonnebrand vergeet mijn moeder niet. Net zoals een dozijn andere overbodigheden.

Na de zwemles zet mijn vader koers naar W. aan Z. In de auto heerst rust. Mijn broertjes logeren dit weekend bij opa B. Het is niet druk op de weg, laat mijn vader weinig hoopvol weten. Hij ziet ons uitstapje eigenlijk niet zo zitten. Mijn moeder blijft positief; dan is het gelukkig ook niet druk op het strand. Opeens zie ik de ruitenwissers op en neer gaan. Het regent. Behoorlijk zelfs. Ik hoop dat mijn moeder aan de parasol heeft gedacht. Die kan ons nu mooi tegen de nattigheid beschermen.

Op de plaats van bestemming staat een straffe wind. We zoeken onze toevlucht tot een strandtent. Mijn maag knort. Ik werk een groot bord met patat en frikandel weg. Mijn zusje heeft een doosje met kleine chocolade snoepjes ontdekt en wil niets liever dan die opeten. Even later staan we op het strand. De wind blaast de zand met volle kracht tegen mijn benen. Ik jammer van de pijn. Noor lijkt het naar haar zin te hebben. Wel heeft ze het koud; haar lippen zijn pimpelpaars van kleur.

In de duinen hebben we geen last van de harde wind. We lopen zo het stadje in. Mijn vader is hier als een vis in het water. Trots laat hij ons het speeltuintje zien waar hij vroeger op vakantie altijd heeft gespeeld. Ik probeer kort de toestellen uit. Daarna volgen mijn ouders het duinpad weer. Noor ligt inmiddels in haar wagentje te slapen. Weer krijg ik pijn aan mijn beentjes. In mijn broekzak voel ik twee muntjes van 20 cent. Hoopvol pols ik mijn moeder of ze me in ruil daarvoor wil dragen.

Een goed uur later zijn we weer terug bij de strandtent. We eten daar tot besluit een lekker ijsje. De zon schijnt inmiddels. Het mag niet meer baten. We vertrekken zometeen weer richting huis. Dat zint me niet echt. Ik dring aan op een kort verblijf aan het water. Bovendien wil ik dat mijn vader terug naar de auto gaat en de schepjes en emmertjes ophaalt. In plaats daarvan stuurt hij me het strand op. Ik voel de wind om mijn oren suizen en het zand tegen mijn benen slaan. Laat ook maar!