Vandaag schijnt het zonnetje lekker. Hoewel mijn broertje en ik snotverkouden zijn, willen we toch graag buiten spelen. Ik fiets op mijn Diego-fiets rond; Guus duwt zijn Ferrari-drieweieler voort. Ik schep aarde uit de plantenbak; Guus stopt de aarde in zijn mond. Ik draai aan het kraantje van de regenton; Guus stampt in de grote plas die zich rondom de ton heeft gevormd. Mijn moeder schrikt van de puinhoop en krijgt haast een hartverzakking als ze onze handen en snoeten ziet. We moeten in bad. Ze is onverbiddelijk.
Mama draagt ons naar boven, deponeert ons in het bad, trekt onze kleren uit en zet de sproeier aan. Opeens geef ik een gil. Het bad ligt vol met modder. “Daar wil ik niet in wassen”, brul ik.