Ik sluit mijn ogen en doe een schietgebedje. Mijn moeder stuurt onze blauwe bus over de ring van havenstad R. We zijn op weg naar de zoveelste acteerklus. Op de achterbank ligt Guus heerlijk te snurken. Mijn moeder is duidelijk niet gewend aan de grote hoeveelheid auto’s om haar heen. Bovendien moet ze opletten welke van de velen afritten ze moet nemen. Gelukkig hoeft ze deze klus niet alleen te klaren; Eva van de afdeling Navigatie wijst haar de weg naar onze eindbestemming.
Onze metgezel leidt ons langs De Boompjes. Mijn moeder vertelt enthousiast over een vorige leven. Daarin is ze werkzaam voor een klant die in een van de vele grauwe gebouwen hier gehuisvest is. Mijn vader werkt even verderop voor een groot bankconcern. Toch komt het hier nooit tot een ontmoeting. Die rampplek bevindt zich op een steenworp afstand van het huis van mijn opa in België. Daarna spreken mijn ouders hier wel nog dikwijls af voor een romantisch rendez-vous.
Cynisch onderbreek ik het relaas van mijn moeder. Ik vind niet dat mijn ouders de verliefdheid zelve zijn. Mijn moeder erkent mijn gelijk. De dagelijkse beslommeringen putten mijn ouders en hun portemonnee uit; de uitstapjes, de gebroken nachten, de hobby’s en vriendjes. Voor “mijn” tijd slapen mijn ouders heerlijk in het weekend uit, bekijken in de bioscoop een film onder genot van een grote bak popcorn en eten aan het eind van de dag een heerlijke maaltijd in een chic restaurant.
Ineens snap ik ook waarom mijn ouders ons af en toe bij onze grootouders onderbrengen. Mijn moeder twijfelt even. Ze besluit toch open kaart te spelen. Ik ben blijkbaar een grote jongen die goed met de waarheid om kan gaan. Ze vindt het heerlijk om af en toe alleen met mijn vader te zijn. Toch is dan niet alles pais en vree, vertrouwt ze me toe. Het is ook wennen om zonder kinderen te zijn. Bij ongenoegen is vaak de partner het mikpunt. Bij gebrek aan kinderen natuurlijk.
Over een paar jaar zijn mijn ouders weer alleen. Dan woont eenieder in zijn eigen huis met partner en kinderen. Mijn moeder verheugt zich blijkbaar op die tijd; ik mag mijn kroost brengen als ik moet werken. Dat begrijp ik niet helemaal. Ik blijf toch zeker bij mijn ouders wonen. Dat blijkt niet de bedoeling te zijn. Ik kan niet met mijn meissie bij mijn ouders intrekken, hoe aardig mijn moeder F. ook vindt. Demonstratief vouw ik mijn armen over elkaar; ik blijf tot de dood ons scheidt.