Grote familie

Volgens de gangbare definitie kom ik uit een groot gezin. Daarvan is sprake als er vier of meer kinderen onder één dak wonen. Ikzelf ben de oudste, vanzelfsprekend de belangrijkste, dus nummer 1. Guus is nummer twee, Bas nummer 3 en Noor nummer 4, de hekkensluitster. Ik zag de bui al meteen hangen toen mijn moeder een jaar geleden vertelde dat ik een zusje zou krijgen. ” Ik krijg het er maar druk mee”, zuchtte ik tegen eenieder die het wilde horen.

Ik blijk dus echt een vooruitziende blik te hebben gehad. Soms voel ik mij als een herdershond die probeert de schaapjes in het gareel te houden. Neem nu mijn jongere broer; een ongeleid projectiel! Hij sjeest op zijn fietsje meters voor mijn moeder uit. Die kan hem niet bijhouden; ze duwt de wandelwagen met mijn zusje erin en dirigeert Bas op zijn kleine, rode Brum-Brum over de stoep. In geval van nood ga ik snel achter Guus aan om hem tot stoppen te dwingen.

Bas is een typisch derde kind. Hij kijkt op tegen zijn oudere broers en wil graag met ons meedoen. Dat kan natuurlijk niet. Het ontbreekt hem absoluut niet aan lef; hij is gewoon te klein en te onhandig. Ik hou hem dus verre van mijn lego. Hij zou zomaar mijn gebouw kunnen slopen. Aan mijn fiets mag Bas ook niet komen. Misschien trekt hij hem omver en lijdt de fiets grote schade. Natuurlijk luistert Bas niet naar mij. Dan licht ik mijn moeder in over zijn streken.

Noor vind ik heel erg lief. Dat zeg ik dan ook vaak tegen haar. Ik geef haar graag ’s ochtends een bordje pap. Uit voorzorg proef ik regelmatig of deze nog lekker smaakt en niet te warm is. Dan veeg ik haar mondje af en laat haar uitbuiken. Mijn zusje huilt vaak als ze in haar eentje in de box ligt of in de wipper zit. Dan sta ik op en geef een aai over haar bolletje. Dat kan helaas niet altijd. Soms zit ik net lekker tv te kijken. Dan roep ik mijn moeder dat Noor hulp nodig heeft.

Mijn verantwoordelijkheden drukken dus zeer zwaar op mijn kleine schouders. Toch heeft een groot gezin zo zijn charme. Er is altijd wel iemand om mee te spelen of televisie te kijken. Het duurt nog een tijdje maar zo af en toe denk ik na over een eigen gezin. Misschien neem ik tien kinderen, zeg ik dan tegen mijn moeder. Maar als het te druk wordt, doe ik hetzelfde als mijn vader doet; ik ga even achter de laptop zitten. Dan kan ik weer helemaal tot rust komen.