Mijn allereerste rapport van groep 3 staat momenteel ter inzage online. Mijn ouders zijn zo trots als een pauw. Ik lees op het niveau van midden groep 4. Ook met cijfers kan ik goed goochelen. Mijn werkboekjes staan bol van de groene krullen. Verder meldt de juf dat ik een sociaal dier ben; ik vind overal aansluiting en ben niet bang om voor mezelf of een ander op te komen. Van mij zou ze wel tien exemplaren in haar klas willen hebben, vertelt de juf tijdens de ouderavond.
Het is niet meer dan logisch dat ik na schooltijd uit dit keurslijf barst. Mijn frustratie vier ik voornamelijk bot op mijn jongere broer. Guus is sowieso een piepkonijn. Het kost me totaal geen moeite om hem op de kast te krijgen. Ik plaag hem of laat hem per ongeluk tegen mijn gebalde vuist lopen. Dan barst hij in tranen uit en roept hij keihard om zijn moeder. Die wordt vervolgens erg boos op mij. Ze snapt niet dat ik hem een dienst bewijs; het is eten of gegeten worden.
Thuis zorg ik dat ik over alles beschik wat mijn hartje begeert. Ik ben helemaal verzot op kinderchocolade. Na school mogen mijn broers en ik altijd een snoepje uit de trommel kiezen. Eén reepje vind ik echter te weinig. Zodra mijn moeder uit het zicht is, gris ik een hele verpakking uit de voorraadkast. Ik breng ‘m stiekum naar mijn slaapkamer en doe mij te goed aan deze lekkernijen. Mijn moeder vindt later bij het stofzuigen sporen van dit strafbaar feit en is des duivels.
Rond etenstijd stijgt de spanning tussen mij en mijn ouders tot een climax. Op mijn bord ligt géén pannenkoek of patat met frikandel. Reden genoeg voor mij om eens flink stennis te maken. Mijn zusje laat het zich desondanks goed smaken. Mijn slechte tafelmanieren zijn mijn vader echter een doorn in het oog. Het gaat hard tegen hard. Uiteindelijk brengt hij me naar mijn kamer en doet het licht uit. Morgen geen snoep voor straf. Niet dat het uitmaakt; de chocolade was toch al op.
De volgende ochtend maakt mijn moeder me wakker voor school. Gisterenavond heb ik veel tijd gehad om na te denken. Het spijt me oprecht. Ik heb echter geen idee waarom ik me zo gedraag. Mijn moeder slaat een arm of me heen. Ze denkt dat het ligt aan de levensfase waarin ik me momenteel bevind. Haar antwoord helpt me geen steek verder. Daar was ik echter al op voorbereid. Voor de zekerheid heb ik gisteren aan de Heer gevraagd of hij me wil bijstaan in deze moeilijke tijd.