Al een aantal maanden confronteer ik mijn moeder met een prangende vraag: wanneer gaat oma-oma (nou eindelijk) dood? Niet dat ik haar wil missen maar het is iets wat mij erg bezig houdt. Het is toch wel al een oude dame. De oma van mijn moeder. Stel je eens voor, de moeder van mijn oma Teun. Die laatste is natuurlijk zelf geen jong blaadje meer. Oma’s zijn nu eenmaal per definitie oud. Een oma-oma moet dan toch wel bijna een soort van Sinterklaas zijn voor zo’n klein mannetje als ik.
Mijn moeder weet in eerste instatie niet zo goed wat zij met mijn nieuwsgierigheid aan moet. Soms lacht ze om mijn vraag; soms wordt ze een beetje boos. Ze kan niet in de toekomst kijken, is dan steenvast haar commentaar. Dat ze niet weet wanneer de grote dag komt, is voor mij allesbehalve een bevredigend antwoord. Dus blijf ik volharden in al mijn ijver; ik moet en zal het weten.
Ik heb wel zo mijn redenen om deze pijnlijke vraag te stellen. De dag dat mijn ouders er niet meer zijn, zal zich natuurlijk ook eens aandienen. Ik vraag mijn moeder hiernaar. Nu snapt ze opeens wel mijn interesse in de dood. Ze vertelt mij dat die dag nog héél ver weg is. Haar redenatie is dat eerst mijn oma-oma zal sterven, dan mijn eigen oma’s en opa’s en dat dan pas mijn ouders aan de beurt zijn. Er zit dus nog een aardige buffer, probeert ze me gerust te stellen.
De sussende woorden van mijn moeder hebben weinig effect; ik raak in paniek! Ik wil niet dat mijn ouders mij verlaten. Mijn moeder denkt dat ik tegen die tijd mijn ouders niet meer zo nodig heb omdat ik dan zelf kinderen en misschien ook wel kleinkinderen heb. Ze vergist zich; ik wil en kan mijn papa en mama niet missen. De tranen biggelen over mijn wangen. Mijn moeder knuffelt me stevig. Met tranen in haar ogen vertelt ze dat het niet anders is; iedereen gaat tenslotte dood. Ik moet dus proberen het te accepteren. Dat wil ik alleen doen, zo verkondig ik, als mijn papa en mama op de bank bij mij gaan liggen als het zover is. Mijn moeder schiet in de lach; ze zal haar best doen maar beloven kan ze niets. Misschien dat ik het zelf tegen die tijd niet meer zo wil.
Nu, vandaag, is er een heel stuk van de frontlinie weggevallen. Mijn oma-oma heeft vanmiddag rond het middaguur voorgoed afscheid genomen van deze wereld. Ik zal haar nooit meer zien; nooit meer een lekker chocolaatje van haar krijgen of een centje voor mijn spaarpot. Ze zal nooit meer op mijn verjaardag aanwezig zijn of het paasfeest en kerstfeest met ons vieren. Ze zal nooit meer bij oma Teun zijn als wij op bezoek komen. Ik zal haar nooit meer kunnen opzoeken in het bejaardentehuis waar ze sinds begin dit jaar huisde. Nooit meer spelen met de kiezelstenen die daar op het patio terras liggen. Nooit meer!
Mijn moeder komt huilend de woonkamer in. Mijn vader drukt haar stevig tegen zich aan. Met interesse volg ik het schouwspel. Dan wil ik weten waarom mijn moeder huilt. Ze vertelt mij dat oma-oma gestorven is. Lange tijd zwijg ik. Een grote frons tekent mijn voorhoofd. Troostend zeg ik tegen mijn moeder dat oma-oma wel al heel oud was. Net zoals Mimi, de poes uit het grote voorleesboek van Guus. Die was heel oud en ook een beetje ziek. Die ging ook dood. ” Dag Mimi, dag”‘ citeer ik hardop. “Dag, oma-oma, dag.”